Continental Song City CSCCD1213
gevarieerd of stuurloos?
De twaalf songs die zanger-gitarist Jim Keller op zijn vierde album in vijf jaar zette, liet hij produceren door Adam Minkoff, die eerder ook zijn ‘Spark & Flame’ deed. Opnieuw speelde Minkoff ook een bepalende rol op een hele reeks instrumenten: bas, percussie, marimba, mandoline, elektrische en akoestische gitaar, clavinet, Hammond orgel en harmonium. Er bleven dan ook slechts bescheiden rollen over voor bassisten Andy Hess, Jacob Silver en Bob Glaub, drummers Tony Mason en Lee Falco en incidentele gitaristen Scott Metzger, Richard Hinnen en Kevin Bents.
Daarmee werd dit een ander album dan het door Keller eerder aangekondigde dat hij opnieuw met Mitchell Froom als producer zou maken. Dat zou het derde zijn van een drieluik waarvan ‘By No Means’(2021) en ‘Daylight’(2024) deel uitmaken. Waar Mitchell Keller en zijn muzikanten namelijk live liet spelen in de studio, kozen Keller en Minkoff voor het andere uiterste: het laag voor laag opbouwen van de nummers door er steeds aparte takes met partijen aan toe te voegen.
Ook blijken Keller’s songs nog veelzijdiger dan op de drie vorige albums, al staan ze los van de drie nummers van zijn recente EP ‘Never Got It Straight’:
na de gelaagde, melodisch dwarse opener ‘Love One Another’ zijn de volgende vijf songs achtereenvolgens uitbundige, aan punk rakende rock (‘Got no Time for That’), reggae (‘End of the World’), breed uitwaaierende radiorock (‘Sally Come Home’), een sentimentele ballad met opnieuw Beach Boys-koortjes (’I Want to Go back Home’) en een weer aan JJ Cale refererend nummer dat daardoor wél een onderhuidse spanning voelbaar maakt (‘Black Dog’).
Ook in de zes songs erna put Keller uitbundig uit de popgeschiedenis, want die slaan al net zoveel richtingen in: reggae, country, loom dreigende rock, hardrock en pop.
Ze werden alle uiterst competent en enthousiast gespeeld en natuurlijk heeft Keller een letterlijk uit duizenden herkenbare bariton die soms intrigerend tegen de toon aan schuurt, maar slechts een paar van die nummers hebben de muziek die ervoor zorgt dat ze die vele genres ontstijgen. Het hypnotiserend deinende ‘Coffee in my Cup’ met zijn bevrijdende refreinen is in dat tweede zestal daarvan het enige duidelijke voorbeeld: het is aanmerkelijk origineler en dus eigener dan de andere.
Zo lijkt het er nog het meeste op dat Keller en Minkoff niet de benodigde kritische afstand hebben kunnen nemen om de klank van deze songs goed te kunnen beoordelen waarin Keller wederom emotioneel zingt over voorbije liefdes, afscheid en spijt.
Misschien was Froom als producer toch de betere keuze geweest…
***
Eerdere berichten over Jim Keller vind je in de categorieën nieuws en concerttips.
Mijn recensies van ‘Spark & Flame’ en ‘Daylight’ vind je in de rubriek recensies roots.