muzikaal testament
De Amerikaanse gitarist Tommy Talton had letterlijk meer verleden dan toekomst toen hij in 2022 begon met de opnamen van deze zeven songs, want hij was gediagnosticeerd met kanker en wist dat hij geen kans op genezing had.
Talton is de man die ooit met Scott Boyer in 1970 de formatie Cowboy oprichtte, daarmee vier albums opnam, na het uiteenvallen van de groep in Macon, Georgia veel sessiewerk deed en zes soloalbums uitbracht. Ook woonde hij vanaf 1994 ongeveer een decennium in Luxemburg en speelde van daaruit in Europa met The Rebelizers.
In deze nummers op zijn afscheidsalbum blijkt dat zijn muziek slechts een enkele overeenkomst heeft met die van Capicorn-labelgenoten als Duane Allman, Dicky Betts en Gregg Allman, iconische gitaristen met wie hij speelde.
Natuurlijk spelen zijn gitaarsolo’s een grote rol in deze songs, maar die zijn eerder vloeiend dan vlammend:
hij hechtte meer belang aan afgeronde melodieën dan aan gitaarjams. Daardoor speelt hij eerder ritmische folkrock dan Southern Rock. Ook valt zijn zang op: die was nog altijd even melodieus als jeugdig, al was Talton 73 jaar toen hij zijn sessies startte.
Toetsenisten Chuck Leavell en Randall Bramblett, beiden ook ooit Cowboy-leden, en gitarist Rickie Hirsch speelden mee in de door de laatste geproduceerde nummers, net als bassist Owen Finley en drummer Jack Jones. Cowboy-drummer Stewart drumt in drie van de songs, zodat de opnamen een soort reünie werden. Dat wordt nog versterkt doordat de sessies plaatsvonden in de de Capricon Sounds Studios en Hirsch ooit de gitarist was van labelgenoot Wet Willie.
Talton eerde op dit album zijn verleden door een versie van zijn eigen ‘Time Will Take Us’, in 1974 al door Gregg Allman opgenomen op diens livealbum ‘The Gregg Almann Tour’ met Talton als een van zijn begeleiders.
Ook de in 2018 overleden Boyer herdenkt Talton met diens met ‘Ramblin’ Man’, een nummer dat Boyer in zijn Cowboy-dagen schreef voordat Dicky Betts de Allman Brothers Band de door hem iets later geschreven, gelijknamige klassieker bezorgde.
Ook in de andere vijf bezong Talton nog een laatste keer op een persoonlijke manier zijn eigen leven en zijn liefde voor zijn door afasie geteisterde vrouw. Daarbij is hij open en direct, waardoor zijn teksten soms sentimenteel lijken, maar hij had geen tijd meer voor tekstuele omwegen. Dat blijkt ook in de even lange als kale afsluitende blues, waarin hij ten prooi lijkt aan wanhoop. Daarin bezingt Talton indirect maar overduidelijk hoe de dood hem inhaalt.
***1/2