Naar Trixie Whitley’s Fourth Corner verlangde ik en de omweg was maar klein. Ik kon haar dan meteen draaien, op weg naar huis. De kronkelweg door het bos en langs de duinen zou ik nemen: het moest tenslotte een plaat vol herfst zijn.
Het eerste wat ik zag, waren haar krullen. Ze stond voorovergebogen bij de glasbak in de schemering en ik aarzelde wel vijf passen: mijn hoofd wilde het niet, maar mijn hart wist het al.
Ze reageerde uitbundig: Lang niet gezien, wat een toeval, je komt hier af en toe nog, hè? Als vanouds manoeuvreerde ze zich zonder aarzeling dichterbij tot ze bijna tastbaar werd: een en al lach, stralende blik en nog altijd dat lange, slanke lijf.
Ja, ze waren uit elkaar, de spanning was er al een tijd vanaf geweest en als je elkaar niet meer gelukkig maakt, maak je elkaar maar ongelukkig. Hij bleef de vader van haar zoon, hún zoon, vanzelf. Zij waren tenslotte elkaars eerste liefde, vanaf hun achttiende, vanaf hun jeugd eigenlijk, dat was misschien het probleem wel. Ze had hem best veel vrijheid gegeven, maar als hij onderweg was en zij zat ondertussen op de bank een goede moeder te zijn, dat schoot niet op, toch?
Intussen woonde hij weer in het centrum, dat wilde hij altijd al en zij woonde nog in hun huis. Ze waren allebei alweer een liefde verder. Ja hoor, ze was gelukkig. Je moet tenslotte voort. Echt waar, kijk me maar niet zo aan, het is alweer twee jaar, toch?
Ik mompelde maar, dat ik probeerde te peilen wat ze zei. Gelukkig stelde ze mij geen enkele vraag.
Trixie stopte ik pas in de cd-speler nadat ik had getankt. Met haar op repeat kon ik het op de cruise control wel een uur of zes gedachteloos uithouden op de snelweg. Ik kon niet naar huis vanavond: ik zou haar ademen in mijn dromen.
gepubliceerd in Heaven 84, mei-juni 2013